Strategie

Beleggen op leeftijd: jong versus oud

Beleggen op leeftijd

Beleggen op je dertigste is iets anders dan beleggen op je zestigste. Het belangrijkste verschil is tijd: hoeveel jaar staat het geld nog vast voordat je er iets mee moet doen? Een lange horizon laat je meer schommelingen verdragen, omdat je een crisis kunt uitzitten. Een korte horizon doet dat niet, want als de beurs vlak voor je opname met 30% daalt, heb je geen tijd meer om dat goed te maken. In dit artikel lees je hoe leeftijd doorwerkt in je asset allocation, welke vuistregels er bestaan, hoe een glidepath werkt en wat een Nederlandse situatie ervan maakt met AOW en pensioenpot.

Waarom dit onderwerp ertoe doet

Veel beleggingsboeken praten over rendement, kosten en spreiding, maar minder over de fase waarin je verkeert. Toch is dat een van de belangrijkste factoren. Iemand van 25 die maandelijks inlegt heeft een horizon van zeker veertig jaar tot pensioen. Hij of zij profiteert maximaal van samengestelde rente en kan een serieuze drawdown uitzitten. Iemand van 60 met een grote pot heeft een totaal andere positie: het opbouwen is grotendeels gedaan, het draait om beschermen en geleidelijk consumeren. Dezelfde portefeuille is voor de een passend en voor de ander veel te risicovol. Het onderwerp doet er dus toe, niet om jongeren op te jutten of ouderen bang te maken, maar om verschillende keuzes uit te leggen.

De rol van horizon en glidepath

Een glidepath is het pad waarmee je asset allocation in de loop der jaren verandert. Een typisch lifecycle-fonds (target date fund) start met 80% tot 90% aandelen op je 25e en eindigt met 30% tot 40% aandelen rond de pensioendatum. De bekendste vuistregel is age-in-bonds: het percentage obligaties is gelijk aan je leeftijd. Op je 30e heb je dan 70% aandelen, op je 60e nog 40%. Veel adviseurs vinden die regel te conservatief geworden, omdat mensen langer leven en hogere reële rendementen nodig hebben. Alternatieven zijn 110-leeftijd-in-aandelen (op je 30e: 80% aandelen) of 120-leeftijd-in-aandelen (op je 30e: 90% aandelen). Welke regel je kiest is minder belangrijk dan de gedachte: hoe ouder, hoe minder afhankelijk je portefeuille mag zijn van aandelenrendement op de korte termijn.

Beleggen als je jong bent

De grootste hefboom als je jong begint is tijd. Een maandinleg van 200 euro op je 25e levert na 40 jaar bij een gemiddeld jaarrendement van circa 5% tot 7% een fors hoger eindbedrag op dan dezelfde inleg vanaf je 45e. Daarbij past een hoge weging in aandelen, vaak 80% tot 100%. Brede wereldwijde ETF’s zijn voor veel jonge beleggers het uitgangspunt, met TER’s tussen circa 0,12% en 0,22%. Hou er rekening mee dat je in je twintiger en dertiger jaren waarschijnlijk een paar diepe correcties meemaakt. Dat hoort erbij. Belangrijker dan het exact kiezen van de juiste ETF is een gewoonte: maandelijks automatisch inleggen, niet kijken naar dagkoersen en niet verkopen in paniek. Voor het deel van het geld dat binnen vijf jaar nodig is (huis, studie, sabbatical) hoort niet op de beurs.

Beleggen als je ouder bent

Wie tegen pensioen aan zit heeft een ander profiel. De pot is doorgaans groter, een dezelfde drawdown in procenten betekent in euro’s veel meer. Daarnaast is er minder tijd om eventueel verlies goed te maken. Het sequence of returns-risico (de volgorde waarin rendementen komen) is in de eerste tien jaar na pensioen het grootst. Een combinatie van 40% tot 60% aandelen, een degelijk obligatiedeel en een buffer in cash voor 12 tot 24 maanden uitgaven is voor veel oudere beleggers een werkbare basis. Sommige adviseurs raden een bucket-strategie aan: cash voor 1 tot 2 jaar, obligaties voor jaar 3 tot 10, aandelen voor jaar 10 en verder. In slechte beursjaren onttrek je uit de eerste twee buckets en laat je de aandelen herstellen.

Praktische tips

  • Bepaal je horizon per geldpot apart. Een potje voor een huis over twee jaar hoort niet in dezelfde mix als een pensioenpot van veertig jaar.
  • Pas je verdeling niet jaarlijks met grote stappen aan, maar werk met een glidepath in kleine schuiven.
  • Houd in de afbouwfase 1 tot 2 jaar uitgaven in cash om niet in een dip te moeten verkopen.
  • Reken AOW en eventueel pensioen mee bij je benodigde aandelenrisico op latere leeftijd: een gedeeltelijke vloer maakt aandelen draaglijker.
  • Vermijd te veel actief beheer of dure mixfondsen. Een TER van 1% of meer kost over een lange horizon veel rendement.
  • Stress-test je portefeuille op een daling van 30% tot 50%: zou je dan paniekverkopen? Zo ja, dan is je aandelendeel te hoog.
  • Schrijf een eenvoudig beleggingsplan op met de kerngedachten en lees het terug bij een grote daling.

Veelgemaakte fouten

Jonge beleggers maken vaak de fout te conservatief te starten omdat ze bang zijn voor verlies. Op een horizon van veertig jaar gemiddeld 30% in obligaties beleggen is een rem op het einddoel, terwijl een tussentijdse daling er weinig toe doet. Andere fout: te veel speculeren, met crypto-allocaties van 20% of meer of met meme-aandelen, in plaats van een gespreide basis. Oudere beleggers maken juist de tegenovergestelde fout. Sommigen blijven 90% in aandelen zitten tot vlak voor pensioen omdat het altijd zo goed ging, en zien dan een derde van de pot verdampen in een diepe correctie. Anderen schuiven juist alles naar spaargeld zodra ze met pensioen gaan en verliezen daarna twintig tot dertig jaar koopkracht aan inflatie. Een geleidelijke glidepath en een nuchtere buffer voorkomen beide uitersten.

Nederlandse context

Voor Nederlandse beleggers gelden box 3-regels op vermogen boven de heffingsvrije voet. Het stelsel is forfaitair, met verschillende rendementspercentages voor spaargeld, overige bezittingen en schulden. Tarieven en heffingsvrije voet wijzigen jaarlijks; controleer Belastingdienst.nl. Tegen 2027 wordt naar verwachting overgestapt op een stelsel op werkelijk rendement. AOW is een belangrijke basis voor de oudedagsplanning: AOW-leeftijd loopt gekoppeld aan de levensverwachting, in 2026 is dat 67 jaar of iets daarboven; controleer SVB voor jouw geboortejaar. Werkgeverspensioen in tweede pijler vult vaak aan. Voor zelfstandigen biedt een lijfrenteproduct in de derde pijler extra ruimte via jaarruimte en reserveringsruimte. Producten met automatische glidepath (lifecycle-fondsen) zijn beschikbaar bij ABN AMRO, ING, Brand New Day, BinckBank/Saxo en in de Vanguard LifeStrategy-reeks. Toezicht op brokers ligt bij de AFM en De Nederlandsche Bank. Voor consumenteninformatie zijn NIBUD en Wijzer in geldzaken neutrale bronnen.

Veelgestelde vragen

Hoeveel aandelen mag ik in mijn portefeuille hebben als ik jong ben?
Veelgehoorde vuistregels zijn 100-leeftijd, 110-leeftijd of zelfs 120-leeftijd in aandelen. Een 30-jarige zou volgens die regels tussen 70% en 90% aandelen aanhouden, afhankelijk van risicobereidheid.

Wat is een glidepath?
Het pad waarlangs je asset allocation verandert door de tijd, doorgaans van veel aandelen op jonge leeftijd naar meer obligaties tegen pensioen. Lifecycle-fondsen volgen automatisch een glidepath.

Moet ik bij pensioen alles in obligaties zetten?
Nee. Een gemiddeld pensioen duurt nog vijftien tot dertig jaar, dat is een lange horizon. Een mix met 30% tot 50% aandelen en een cash-buffer voor slechte jaren past vaak beter dan 100% obligaties.

Wat is sequence of returns-risico?
Het risico dat een diepe beursdip vlak na je stopdatum onevenredig veel schade aanricht, omdat je dan al gaat opnemen. Een cash-buffer en gespreide buckets dempen dat risico.

Tellen AOW en pensioen mee in mijn beleggingsverdeling?
In een totaaloverzicht wel. Een gedeeltelijke vloer uit AOW en pensioen maakt dat je in je vrije vermogen iets meer risico kunt nemen dan iemand zonder die vloer.

Hoe stem ik beleggen af op kinderen of studerende kinderen?
Voor doelen op 10 jaar of meer (bijvoorbeeld een potje voor studie van een jong kind) past een grotendeels belegde mix. Voor doelen binnen 3 jaar (een studerend kind dat over 2 jaar het huis uit gaat) past sparen beter. Voor het overgangsgebied van 3 tot 7 jaar is een geleidelijk afbouwende mix met een groeiend cash-deel verstandig.

Maakt het uit of ik via mijn werkgever pensioen opbouw?
Ja. Wie via de werkgever in een goed pensioenfonds zit, heeft daarnaast vaak al een aanzienlijke verkapte obligatie-allocatie via dat pensioen. Sommige adviseurs vinden dat dit ruimte geeft om in het vrije vermogen iets offensiever te beleggen. Wie geen tweede pijler opbouwt (bijvoorbeeld als zzp’er) zal in totaal vaak juist defensiever moeten zijn of bijbouwen via lijfrente.

Dit artikel geeft algemene informatie over leeftijdsgebonden beleggen en is geen persoonlijk beleggingsadvies. Beleggen brengt risico’s met zich mee; je kunt (een deel van) je inleg verliezen. Rendement uit het verleden biedt geen garantie voor de toekomst. Beleg alleen met geld dat je kunt missen. Voor advies dat past bij jouw situatie raadpleeg je een AFM-vergunninghoudende financieel adviseur. Toezicht in Nederland ligt bij de AFM en De Nederlandsche Bank.

You may also like...